Document Text (Pages 51-60) Back to Document

The influence of approaching behavior on the development of likeability in social anxiety.

by Cappendijk, Fieke Lynn, MS


Page 51

Indruk van de proefpersoon na het kijken van de opname (1-10): ……

47


Page 52

DFI, Desire for Future Interaction Scale
Stel je voor dat jij de rollenspeler was in het gesprek met de proefpersoon, en beantwoord de
volgende vragen:

1. Zou je deze persoon eens willen ontmoeten?

1 2 3 4 5
liever niet neutraal graag

2. Zou je meer tijd met hem/haar willen doorbrengen?

1 2 3 4 5
liever niet neutraal graag

3. Zou je met deze persoon willen werken?

1 2 3 4 5
liever niet neutraal graag

4. Zou je naast deze persoon willen zitten in een busrit van 3 uur?

1 2 3 4 5
liever niet neutraal graag

48


Page 53

5. Zou je deze persoon nog een keer tegen willen komen?

1 2 3 4 5
liever niet neutraal graag

6. Zou je deze persoon beter willen leren kennen?

1 2 3 4 5
liever niet neutraal graag

7. Zou je deze persoon om advies vragen?

1 2 3 4 5
liever niet neutraal graag

8. Zou je het overwegen om deze persoon als huisgenoot te hebben?

1 2 3 4 5
helemaal niet neutraal zeker

49


Page 54
50
Judgments of similarity
9. Was de proefpersoon een ander soort persoon dan dat jijzelf bent?
1 2 3 4 5 6 7
helemaal
een
ander
soort
persoon
nogal
een
ander
soort
persoon
een beetje
een ander
soort
persoon
helemaal
niet een
ander
soort
persoon
10. Sprak en gedroeg de proefpersoon zich zoals jij?
1 2 3 4 5 6 7
helemaal
niet
zoals ik
een
beetje
zoals ik
behoorlijk
zoals ik
helemaal
zoals ik
11. In welke mate leek de proefpersoon op jou?
1 2 3 4 5 6 7
leek
helemaal
niet op
mij
leek een
beetje op
mij
leek
behoorlijk
op mij
leek
helemaal
op mij

Page 55

APPROACH VRAGENLIJST
Situatie Gedrag Uitingen Punten
Binnenkomst van pp 1 Afsluiten voor ander Legt spullen meteen aan de kant en richt zich op het gesprek 5
Is bezig maximaal 2 van de volgende activiteiten: jas uittrekken, neus snuiten, zakdoek pakken, tas wegleggen, sjaal afdoen. 4
Is met meer dan 2 van de volgende activiteiten bezig: jas uittrekken, neus snuiten, zakdoek pakken, tas wegleggen, sjaal afdoen. 3
Richt zich niet op het gesprek van de twee mensen door bezig te zijn (jas, spullen wegleggen, in de tas rommelen), maar kijkt af en toe op. 2
Gedurende het hele gesprek van de twee mensen is pp bezig (jas, spullen wegleggen, in de tas rommelen). 1
2 Toenadering Stoel 1 (dichtbij camera) 4
Stoel 2 3
Stoel 3 2
Stoel 4 (verste punt vanaf camera, bij de muur) 1
3 Houding Houding is rechtop, schouders naar achteren, hoofd omhoog, armen zijn ontspannen 5
Houding is rechtop, schouders naar achteren, hoofd omhoog, armen zijn bezig 4
Houding is rechtop, schouders naar achteren, hoofd omhoog, armen over elkaar 3
Houding is iets ingezakt, schouders naar voren, hoofd omlaag, armen naast zij, kijkt regelmatig naar de grond 2
Houding ingezakt, schouders naar vormen, hoofd omlaag, armen over elkaar, kijkt regelmatig naar de grond 1
Tijdens gesprek ondz en rs 4 Meeluisteren/afwenden Luistert het gesprek volledig mee, (glim)lacht en kijkt aan 5
Luistert het gesprek volledig mee, geeft duidelijk een reactie van openheid en kijkt aan 4
Luistert het gesprek mee, kijkt aan, maar toont geen reactie 3
Luistert het gesprek mee, maar kijkt niet aan en toont geen reactie 2
Luistert het gesprek niet mee door eigen bezigheden bijv. muziek op of lezen van boek 1
5 Oogcontact Kijkt grotendeels van de tijd de twee personen aan 5
Kijkt regelmatig de twee personen aan 4
Kijkt af en toe 3
Kijkt zijdelings af en toe aan, maar wendt blik meerendeels af 2
Kijkt geen moment de personen aan 1
6 (glim)lachen Heeft een glimlach waarbij de tanden zichtbaar zijn/ mond geopend is (minstens 2 keer of 1 keer meer dan 5 sec); of lacht hardop 5
Heeft grootste gedeelte van het gesprek een glimlach of punt 2 minder dan 2 keer of minder dan 5 sec 4
Heeft af en toe een glimlach op het gezicht 3
Heeft 1 of 2 keren een glimlach op het gezicht 2
Heeft geen glimlach op het gezicht 1
Onderzoeker loopt weg 7 Wegkijken of aankijken pp kijkt rs aan en (glim)lacht hierbij 5
Pp kijkt persoon aan en zoekt duidelijk contact 4
PP kijkt persoon aan 3
PP kijkt weg 2
PP kijkt niet op of om 1

51


Page 56

Begin van gesprek 8 Vragen Pp begint zelf met een vraag, voordat de rs iets heeft gezegd 5
Pp geeft een reactie op de openingszin, vertelt hierop een verhaal of stelt meer dan 4 vragen achtereen 4
Pp geeft een reactie op de openingszin, stelt vervolgens na ongeveer een alinea een vraag terug 3
Reageert, maar stelt vrijwel onmiddellijk een vraag terug of geeft minstens een alinea als antwoord, maar geen vraag terug 2
Reageert niet op de openingszin of zo kort dat er verder geen gesprek volgt (slechts ja/nee) 1
Eerste vraag van pp 9 Soort vraag De pp stelt zelf een vraag 5
De pp stelt een andere, nieuwe open vraag aan rs 4
De pp stelt een andere, nieuwe gesloten vraag aan rs 3
De pp kopieert de vraag en stelt dezelfde vraag terug die de rs stelde of vraagt: en jij? 2
De pp heeft geen vragen 1

Tijdens het gesprek 10 Kleine aanmoedigingen Tijdens het gesprek geeft de pp het grootste gedeelde van de tijd feedback (knikken, glimlachen) aan de rs. 5
Regelmatig geeft de pp feedback om het gesprek te stimuleren dmv kleine aanmoedigingen. 4
Af en toe stimuleert de pp het gesprek dmv kleine aanmoedigingen. 3
Een enkele keer geeft de pp een kleine aanmoediging, echter zeer nihil. 2
Pp geeft geen enkele keer een aanmoediging om het gesprek te stimuleren. 1
11 Onrustig gedrag De pp ondersteunt het gesprek met gebaren, minstens één duidelijke keer 5
Tijdens het gesprek heeft de pp zijn handen op schoot of naast zich neer gelegd 4
Tijdens het gesprek of tijdens de wachttijd heeft de pp grotendeels de handen rustig, maar friemelt maximaal 2 keer. 3
Tijdens het gesprek of tijdens de wachttijd heeft de pp de handen onrustig, friemelt minimaal 2 keer. 2
De pp is continu bezig met andere activiteiten, zoals tijdschrift lezen, boek lezen, agenda schrijven, etc. 1

12 Doorvragen Pp houdt het gesprek aan de gang door voornamelijk open vragen te stellen; meer dan 3 vragen 5
Pp houdt het gesprek aan de gang door voornamelijk gesloten vragen te stellen; meer dan 3 vragen 4
Pp heeft maximaal 2 vragen gesteld 3
Pp is niet geneigd om het gesprek op gang te houden en geeft voornamelijk reactie; heeft maximaal 1 vraag gesteld 2
Pp heeft geen vraag gesteld 1

52


Page 57

13 Hoeveel onderwerpen? Er worden meer dan 3 onderwerpen besproken 5
Er worden in totaal 2 onderwerpen besproken 4
Er wordt 1 onderwerp uitgebreid besproken 3
Enkel het onderwerp 'vaker aan onderzoek meegedaan?' is aan bod gekomen, aangedragen door de rs 2
De pp heeft enkel ja/nee gezegd, of er is geen gesprek geweest 1
14 Duur van gesprek Langer dan 3 minuten 5
1 tot 3 minuten 4
21 sec tot 1 minuut 3
1 sec tot 20 sec 2
Er was geen gesprek 1
15 Vloeiendheid Het gesprek verloopt vloeiend met natuurlijke stiltes 5
Het gesprek verloopt grotendeels vloeiend, het komt eenmaal voor dat er een ongemakkelijke stilte valt 4
Het gesprek verloopt met onderbrekingen, er zijn ongemakkelijke stiltes 3
Het gesprek verloopt met moeizaam, veel onderbrekingen, veel pauze's tussen de woorden/zinnen en ongemakkelijke stiltes 2
Er is geen gesprek of er is slechts 1 zin gezegd 1
16 Soort antwoord Pp vertelt uitgebreid, persoonlijke informatie aan rs 5
PP vertelt kort, persoonlijke informatie aan rs 4
pp vertelt uitgebreid, informatieve informatie aan rs (bijv over het onderzoek) 3
pp vertelt kort, informatieve informatie aan rs (bijv over het onderzoek) 2
Pp vertelt geen of nauwelijks informatie over zichzelf 1
Onderzoeker komt binnen 17 Onderbroken worden Pp kijkt op, heeft een glimlach waarbij de tanden zichtbaar zijn 5
Pp kijkt op en glimlacht 4
Pp kijkt op en kijkt onderzoeker aan en volgt het gesprek 3
Pp kijkt op en kijkt onderzoeker aan, luistert niet het hele gesprek mee 2
Pp kijkt op en kijkt meteen weg 1

Let op! Nog 2 vragen op volgende
blz!

53


Page 58

Onderzoeker praat 18 Luisteren Pp kijkt aan, lacht tijdens het gesprek, geeft verbale feedback, houding is toegedraaid naar onderzoeker 5
Pp kijkt aan, glimlacht tijdens het gesprek, geeft kleine feedback (knikken, glimlachen), houding is gedraaid naar onderzoeker 4
Pp kijkt aan en geeft alleen kleine feedback, houding is iets weggedraaid 3
Pp kijkt onderzoeker aan, luistert, maar is afhoudend, houding is weggedraaid 2
Pp kijkt onderzoeker niet of nauwelijks aan, houding is weggedraaid 1
Tijdens hele wachttijd 19 Activiteiten De pp is geheel niet bezig met andere activiteiten (boek pakken, tas rommelen, tijdschrift pakken, agenda pakken). 5
Is éénmaal bezig met andere activiteiten (even in tas rommelen, agenda pakken) voor niet langer dan 15 seconden 4
Is bezig met andere activiteiten voor tussen de 15 seconden en 1 minuut 3
Is bezig met andere activiteiten voor tussen de 1 minuut en 3 minuten 2
Is bezig met activiteiten (boek pakken, tijdschrift lezen, agenda pakken, schrijven, muziek luisteren), langer dan drie minuten 1

54


Page 59

VRAGENLIJST SOCIAAL GEDRAG OVER PROEFPERSOON

Openheid van de pp
1. Hoe open vind je de houding van de proefpersoon? (open: rechtop, armen langs opzij;

gesloten: ineengedoken, dichte houding)
1 2 3 4 5 6 7 8 9
behoorlijk neutraal behoorlijk
gesloten open

erg
gesloten
heel
open
2. Hoeveel ben je van de proefpersoon te weten gekomen? (feiten zoals waar pp woont, wat

voor studie ze doet, waar ze vandaan komt)

1 2 3 4 5 6 7 8 9
helemaal erg neutraal behoorlijk zeer

niets weinig veel veel
3. Verbaal positief oppervlakkig: In hoeverre vertelt de proefpersoon positief over wat

oppervlakkige onderwerpen (wonen, weer, studie, uitgaan)?
1 2 3 4 5 6 7 8 9
bijna niet neutraal redelijk
veel
helemaal

niet
zeer
veel

4. Verbaal positief iets dieper niveau: in hoeverre vertelt de proefpersoon dat ze iets echt
leuk of interessant vindt (positieve emotionele zelfonthullingen) (persoonlijke hobby’s,
iets echt interessant vinden aan studie)
1 2 3 4 5 6 7 8 9

matig neutraal behoorlijke
emotionele emotionele
zelfonthul- zelfonthullingling

helemaal

geen
emotionele
zelfonthulling
5. Non-verbaal: In hoeverre laat de proefpersoon positieve emotie zien (lachen,

enthousiasme, etc.)

Helemaal
geen
emotie

veel
emotionele
zelfonthulling

1 2 3 4 5 6 7 8 9
bijna neutraal behoorlijk
geen veel
emotie emotie
zeer
veel
emotie

55


Page 60

6. Verbaal negatief oppervlakkig: In hoeverre vertelt de proefpersoon negatief over de wat
oppervlakkige onderwerpen (bv. klagen dat dingen niet goed geregeld zijn bijvoorbeeld
het rooster, het slechte weer, politiek)
1 2 3 4 5 6 7 8 9
bijna niet neutraal redelijk
veel
helemaal

niet
zeer
veel
7. Verbaal negatief iets dieper niveau: in hoeverre vertelt de proefpersoon iets wat moeilijker

is om te vertellen (negatieve emotionele zelfonthullingen) slechte studieresultaten, moeite
hebben met een studie of een vak (bijv. statistiek), slecht zijn in iets, iets wat momenteel
minder lekker loopt.
1 2 3 4 5 6 7 8 9

matig neutraal behoorlijke
emotionele emotionele
zelfonthul- zelfonthullingling

helemaal

geen
emotionele
zelfonthulling

veel
emotionele
zelfonthulling

8. Non-verbaal: In hoeverre laat de proefpersoon negatieve emotie zien (verdriet, moeilijke
dingen)
1 2 3 4 5 6 7 8 9
bijna neutraal behoorlijk
geen veel
emotie emotie
Helemaal

geen
emotie
zeer
veel
emotie
9. Verbaal ongemak: in hoeverre zegt de proefpersoon iets over het ongemak van de sociale

taak (emotionele zelfonthulling over ongemak) ‘het lijkt wel een vraaggesprek’, ‘dit is wel
ongemakkelijk’, ‘wat een rare situatie’, ‘wat een vreemde situatie’. In wachtkamer: ‘ik
vind het wel spannend/eng om straks voor die camera….’
1 2 3 4 5 6 7 8 9

matig neutraal behoorlijke
emotionele emotionele
zelfonthul- zelfonthullingling

helemaal

geen
emotionele
zelfonthulling

veel
emotionele
zelfonthulling

56

© 2009 OpenThesis.org. All Rights Reserved.